Een biggetje op een fiets

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #08/2020

Omdat ik behoefte had aan natuur, was ik na mijn werkdag gaan wandelen in een ander, groter park dan het grasveldje waar ik normaliter kom. Ik was nog maar een meter of honderd voorbij de ingang toen ik een hoge, knoestige boom zag. Hij leek me minstens honderd jaar oud, al vind ik de leeftijd van een boom schatten net zo moeilijk als de leeftijd van een mens schatten.

Met toegeknepen ogen keek ik om me heen of er geen boa in de buurt was, stapte het wandelpad af en klopte een paar keer op de boomstam zoals je een trouwe hond op zijn rug klopt. 'Ouwe rups,' zei ik zachtjes, 'hou je het nog vol, allemaal? Nee, het valt niet mee. Gewoon maar rustig blijven staan, denk ik. Wat moet je anders?' Een joggende vrouw met een iPhone in een plastic hoesje op haar bovenarm keek mij raar aan, maar daar wen je aan.

Uit de bosjes kwam een witte poes aangelopen. 'Witte poes!' riep ik. 'Komt-ie gezellig hierheen! Ja!' Het beest liep vlug met een boog om me heen alsof ik een schoteltje bedorven Sheba was en schoot onder een paar dicht op elkaar staande struiken. Ik wandelde ernaartoe om te kijken wat hij ging doen en zag dat in het midden een open plekje was in de vorm van een witte poes, uitgelicht door een zonnestraal. De witte poes baande zich een weg door de jungle naar het open plekje, ging liggen en viel bijna meteen in slaap. Hij stak fraai af tegen het groen. Jammer dat ik mijn fototoestel niet bij me heb, dacht ik.

Even later kwam ik bij een miniboerderij met varkens, geiten en kippen. Er kroop een hit in mijn hoofd van Riny van der Lee: Varkens geiten boerenkool. Nadat ik een kwartier naar een knorrend varken in de modder had gekeken, draaide ik weg van het hek en zag een biggetje in een T-shirt aan komen fietsen. Hoei, dacht ik, dit park gaat echt tot het uiterste om zijn bezoekers te vermaken. Pas toen het biggetje mij tot op een paar meter was genaderd, zag ik dat het geen biggetje was, maar een dik, roze jongetje van een jaar of acht tot twaalf. Hij passeerde mij met een niet al te hoge snelheid. Ik keek hem lang na. Piepte daar een krulstaartje boven zijn korte broek uit?

Ik verliet het park, liep langs een drukke weg en ging een brug op. De brug heeft één rijbaan, aan het begin staat een verkeersbord met een zwarte en een rode pijl om aan te geven van welke kant men bij drukte als eerste over de brug mag. In het midden van de brug stonden twee auto's tegenover elkaar. Na wat getoeter stapten de bestuurders uit, kale mannen van dertig tot vijftig jaar. De een had een roze poloshirt aan en riep: 'KANKERHOMO!' De ander riep ook iets, maar dat kon ik niet verstaan omdat de vuist van het poloshirt met hoge snelheid op zijn mond terechtkwam. Een vrouw in een mantelpakje stapte uit een andere auto en schreeuwde: 'OPHOUDEN! NU!' Nog meer mensen stapten uit, filmend met hun telefoon.

Snel ging ik terug de brug af, sloeg de eerste zijstraat in en liep met een omweg naar huis, waar ik een eenvoudige maaltijd kookte. Na het eten en de afwas ging ik met een espresso en een whisky in mijn rookstoel zitten om de dag te evalueren. Ik had een hoge, knoestige boom gezien, een witte poes in een zonnestraal en een biggetje op een fiets. Het was een mooie dag geweest.



[ Maar wat is het? ]