Verhaal over Anton, die eigenaar is van café De Stad

Een voordracht van mij ter gelegenheid van het afscheid van Anton, mede-eigenaar van café De Stad in het Utrechtse stadje U., mijn stamcafé. (Nee, hij was niet dood, maar begon ergens anders een nieuw horeca-avontuur.) Ik lees graag voor in De Stad, want dat is het enige moment dat het hele café naar mij luistert.

Ongeveer vijftien jaar en twintig kilo geleden woonde ik in het Groningse stadje G., waar ik iets met computers studeerde, hoewel die studie al snel veranderde in iets met alcoholhoudende dranken. Eén van de cafés die ik toentertijd geregeld bezocht, was een klein, donker en smerig lokaal in het midden van een straat waar verder voornamelijk shoarmatenten van dubieus allooi zaten - of is dat een tautologie, shoarmatenten van dubieus allooi? Had ik nu maar Nederlands gestudeerd.

Het café heette De Grot en was in handen van het immer in leer- en spijkerstof gehulde, harige kabouter-echtpaar Harry en Sonja. Er stonden hardgekookte eieren op de bar (prijs: 1 gulden), er lagen oude exemplaren van Metal Hammer in de vensterbank en uit de boxen kwam meestal muziek van Slayer, wat later op de avond ook van Manowar, Krokus en Dio. De cliëntèle bestond uit oude rockers en een paar verdwaalde studenten, onder wie ik. In die tijd deed ik één keer in de drie, vier weken de was bij mijn oude moeder - één van de redenen waarom ik zo graag in De Grot kwam, was dat het er altijd precies zo rook als de lucht die mijn kleren verspreidde wanneer ik weer eens met een sporttas vol vuile was de reis naar de ouderlijke boerderij ondernam.

Op een mooie dag besloot de gemeente dat het imago van de schimmige straat waar café De Grot was gevestigd, positiever moest worden. Er werd geld ter beschikking gesteld om een straatfeestdag te organiseren en een verlichte wethouder bedacht dat de straat opgefleurd kon worden met tijdelijke kunstwerken, ook gesubsidieerd. Aan de ondernemers in de straat werd gevraagd een plan in te dienen voor de ontwikkeling van deze kunstwerken. Ook kroegbaas Harry stuurde een idee in: twee kunstenaars zouden voor café De Grot op de feestdag live een tekening op straat maken. Gelukkig had er niemand economie gestudeerd bij de gemeente, want dan was mijn verhaal hier en nu reeds afgelopen.

De gemeente was zo enthousiast over Harry's plan dat hij meteen groen licht en een zak geld kreeg. Toen de straatfeestdag was aangebroken, kwam Harry precies op het aangekondigde tijdstip onder grote belangstelling uit zijn café de straat op en begon op zijn gemak een soort boksring af te zetten met wat rood-witte linten die hij aan toevallig aanwezige lantaarnpalen bevestigde. Het was de eerste warme dag van de lente, de linten fladderden vrolijk en ik stond tussen een massa mensen die in blijde verwachting was van wat komen zou. Wie zouden de twee kunstenaars zijn? Herman Brood? Rob Scholte? En wat zouden ze gaan maken? Een portret van de Martini-toren of Jan van Dijk misschien? De stemming steeg en steeg en bereikte bijna Koninginnedagniveau.

Harry ging naar binnen en kwam even later weer naar buiten met twee enorme brokken krijt, een rode en een blauwe. De blokken legde hij midden in het afgezette gebiedje, waarna hij weer in zijn café verdween. Net toen het publiek onrustig begon te worden, kwamen er twee rottweilers uit De Grot gewandeld, wat schuchter in het felle zonlicht. Het waren de honden van Harry en Sonja, wist ik; hun baasje liep er met een brede glimlach achteraan. De beesten liepen op de blokken krijt af en begonnen er met hun neus tegenaan te duwen. Al gauw ontstond er een interessant lijnenspel op de gele klinkers. Contouren werden aangezet, vlakken werden ingevuld, of nee, toch niet, het creatieve proces werd even onderbroken door een passerende kat, ja, toch wel, er werd wat gespeeld met beeldrijm, kortom: hier werd duidelijk iets non-figuratiefs neergezet.

Wanneer de blokken buiten de omheining dreigden te raken door het ongebreidelde enthousiasme van de honden, zette Harry het krijt weer in het midden en begonnen de honden van voren af aan. Een kunstwerk is nooit af, maar toen de bokskring na een paar minuten geheel was volgekrijt, bedankte Harry het publiek en ging met zijn honden en de inmiddels danig in formaat geslonken krijtblokken De Grot in om er niet meer uit te komen. Langzaam daalde het besef op de omstanders neer: twee echte kunstenaars hadden hier een echt kunstwerk gemaakt. Dat het abstract was, zag iedereen, maar hoe dit kunstwerk verder te duiden, zag niemand. Had ik nu maar kunstgeschiedenis gestudeerd, dacht ik.

Van de vijftienduizend gulden subsidie die hij voor zijn kunstproject had ontvangen, heeft Harry de binnentuin van zijn café opgeknapt en het interieur opnieuw gemeubileerd, zo vertelde hij me een lente later toen ik De Grot weer eens bezocht. Ik pakte nog maar een hardgekookt ei van de geheel gerenoveerde bar en sloeg ermee op mijn hoofd, en nog een keer. Waarom bedacht ik nooit zulke dingen? Had ik nu maar bedrijfskunde gestudeerd. Het zou nog een lange nacht worden in De Grot, waaraan pas een einde kwam toen een vrouw van ruim over de zestig mij probeerde te versieren, onder het continu in mijn rechteroor uitroepen van: 'Wat kunnen jullie studentjes nou eigenlijk, behalve een beetje met je neus in de boeken zitten en bier zuipen?'

Mijn toenmalige partner-in-crime hielp ook al niet mee - hij zei continu in mijn linkeroor: 'Kom op, je kunt het! Gewoon doen! Seks is seks! Ze wil het!'
'Dat lijkt maar zo,' zei ik meer als bezwering tegen mijzelf dan als argument tegen zijn aansporing, 'met één been in het graf heb je immers altijd je benen wijd?'

Toen ze nog dichter naar me toe boog en ik de rimpels op haar wang kon tellen (420, 421...) vluchtte ik richting uitgang. 'Seks is seks', had mijn partner-in-crime gezegd - hoe veel ik ook met mijn neus in de boeken had gezeten, dit was een redenering waar ik niets tegenin kon brengen. Had ik nu maar filosofie gestudeerd, dacht ik, terwijl ik struikelend over een rottweiler de straat op rende.

* * *


Ja, ik dacht: ik begin mijn Verhaal over Anton maar met een anekdote over Harry, want ik weet eigenlijk niks over Anton.

Ongeveer drie maanden geleden werd mij gevraagd of ik een op maat geschreven verhaal wilde voorlezen bij het afscheid van Anton, en toen ik er diezelfde avond nog aan begon, bleek dat gemakkelijker gevraagd dan gedaan. Nadat ik vier uur naar een leeg scherm had gestaard, begon ik uit pure wanhoop maar met een feestelijk Alfabet. Ook geen succes: de 'A' invullen, dat lukte nog wel, maar bij de 'B' liep ik al meteen lelijk vast.

Sinds ik acht jaar en tien kilo geleden mijn eerste bezoek aan café De Stad bracht, ben ik slechts twee dingen te weten gekomen over Anton: 1. Hij is eigenaar van café De Stad. 2. Hij heet Anton. Voorwaar niet het basismateriaal voor een verhaal dat alle andere verhalen overbodig maakt. Aan de andere kant: de kroegbazen die ik heb meegemaakt die je bij binnenkomst meteen hun hele levensverhaal uit de doeken doen, waren nou niet bepaald de beste uit de geschiedenis. Zelden hadden ze hun café - of zichzelf, nu ik er eens goed over nadenk - langer dan acht jaar op de been gehouden.

Ik besloot dat mijn verhaal over Anton net zo moest worden als hij zelf is: kort en kaal. Drie woorden, dat moest toch genoeg zijn? Om inspiratie op te doen, sprong ik op mijn fiets en peddelde naar café De Stad, waar het nog buitengewoon gezellig werd. Wat een vakman was die Anton toch! Kijk hem eens dat bier tappen, precies in het glas, compleet met schuim erop en alles wat er verder bij zo'n biertje komt kijken! En het smaakte ook zo lekker!

Tegen sluitingstijd had ik negen Brandjes en twee gin-tonics op en begon ik te profeteren dat het een aard had. 'De mens is als een blok krijt dat denkt dat hij een tekening maakt, niet wetende dat hij wordt voortgeduwd door de onzichtbare neus van de grote Rottweiler hierboven,' zei ik tegen Anton. Ik probeerde naar de lucht te wijzen, maar door mijn kennelijke staat wees ik naar beneden.
'Zou best kunnen,' zei Anton, en ineens kreeg ik mijn drie woorden door: Anton is Anton. Om dat in te kunnen zien, hoef je niet gestudeerd te hebben. Ik dank u voor uw aandacht.



[ Maar wat is het? ] [ E-mail ]