|
Kon ik mij vannacht in Tivoli nog laten verdoven door de hypnotiserende jungle van Ed Rush & Optical, toen ik vanmorgen opstond moest ik de waarheid toch echt onder ogen zien: de bomen zijn kaal, de chocoladeletters zijn op, het is 6 december en alles wordt alleen nog maar minder. Naar buiten dan maar, het was tenslotte een soort van mooi weer en de zon, de zon, nou ja, de zon. Een fijne wandeling langs het Merwede-kanaal, daar knapt een mens van op!
De herfststorm van de vorige middag had nogal wat sporen achtergelaten, zag ik. Afgebroken takken van een flink formaat lagen her en der verspreid op de stoep en de straat. Terwijl ik behendig over een omgewaaide bouvier heen stapte, zag ik dat aan de overkant van de straat een vrouw mij tegemoet kwam fietsen. Ze had een rokje aan dat gezellig opwaaide door de stevige bries die er nog steeds stond. Eén hand had ze aan het stuur, met de andere probeerde ze wanhopig nonchalant het rokje neer te duwen omdat anders iedereen haar slipje kon zien, dus moest ik mijn nek in allerlei osteopathisch onverantwoorde posities bewegen om haar slipje te kunnen zien. RSI krijg je niet alleen van te lang achter de computer zitten. Het was een goed idee geweest om te gaan wandelen, merkte ik. De dwarrelende, veelkleurige bladeren waren leuk om naar te kijken en bij elke stap voelde ik me beter. Aangezien de benen het voertuig zijn van de geest, raakte ik al gauw in een contemplatieve stemming van taalkundige aard. Herfststorm, dat is toch wel een uiterst fraai woord, dacht ik bij mezelf, terwijl ik de ene voet lustig voor de andere zette. Vooral dat middelste stuk: r-f-s-t-s-t, zes medeklinkers na elkaar. Er bestaat toch ook een woord met acht medeklinkers na elkaar? Welk woord is dat ook alweer? Terwijl ik mijn hersenen pijnigde over deze prangende vraag, zag ik even verderop een Sint en twee Pieten op de stoep lopen. Snel dook ik een zijstraat in, zoals ik meestal doe wanneer ik mensen op straat tegenkom, tenzij het vrouwen met gezellig opwaaiende rokjes betreft. Niet altijd even efficiënt, deze manier van voortbewegen - zo heb ik er vorige week zaterdag vier uur over gedaan om de bakker te bereiken, terwijl deze zich toch op slechts driehonderd meter van mijn huis bevindt. Ik was nog geen vijf meter de zijstraat in gelopen, toen ik ineens glasgerinkel uit de buurt van de grote kindervriend hoorde komen. Ik bleef even staan. Over mijn linkerschouder kijkend, zag ik hoe de ene Piet vakkundig een autoruitje intikte, waarna de andere Piet snel de radio uit de auto trok en het ding in zijn jutezak liet verdwijnen. Als hij straks maar oppast wanneer hij gaat strooien in een klas met kleine kinderen - een pepernoot of een Pioneer tegen je hoofd, dat scheelt nogal wat, dacht ik in al mijn naïviteit. Het viel me op dat Sinterklaas lichtelijk paranoïde om zich heen keek, hetgeen mij nogal vreemd voorkwam, want waarom zou je paranoïde zijn als je over een boek beschikt waarin alles over iedereen staat? Gelukkig voor hem was het echter nog rustig op straat en voor mij hoefde hij ook al niet bang te zijn: ik liep gewoon door, alsof er niets aan de hand was. Maar er was wél wat aan de hand: na Martin Brozius (aan de drank) en Barbapapa (aan de LSD) was er zojuist weer een jeugdheld van mij van zijn sokkel gelazerd, en het was nog niet eens middag! Wat zou de rest van de dag mij allemaal nog voor ellende gaan brengen? Daar kwam ik snel genoeg achter. Blijkbaar had de Sint net even zijn grote boek opengeslagen en onder 'Oxysept' gelezen dat ik op 6 december 2003 getuige was van een kleine criminele actie zijnerzijds, want samen met de twee Pieten kwam hij op mij af gerend, hierbij archaïsche kreten slakend als 'Hela, jonge vriend!' en 'Maak jij eens even pas op de plaats!' Ik begon te rennen voor mijn leven, maar tegen de Pieten had ik geen schijn van kans: dit waren niet van die nichterige, baret-dragende, Take That-luisterende gedichtenpieten die mij probeerden te pakken, nee, dit waren rasechte straight-from-da-hood-Pieten! De ene Piet leek op Mike Tyson en de andere op Ben Johnson en hun sportieve prestaties waren navenant: binnen een seconde of tien waren ze mij op enkele passen genaderd - ik kon hun gehijg al horen. Van pure paniek struikelde ik over mijn eigen benen en viel languit op de stoep. De Pieten stopten en bogen zich dreigend over mij heen. Hun adem rook naar dode bladeren, viel mij op. Sinterklaas lag nog wat achterop maar naderde ook snel. Even gebeurde er helemaal niets: ik lag in bange afwachting doodstil op de grond en de Pieten wachtten tot Sinterklaas ons had bijgehaald. Toen de Sint zich bij ons had gevoegd haalde de Piet die op Ben Johnson leek een groot cadeau uit zijn zak. 'Hahaha!' lachte ik, als een schorre kameel, 'jullie wilden mij alleen maar een cadeautje geven! Had dat dan meteen gezegd!' Maar ik had het bij het verkeerde eind. De Piet die op Mike Tyson leek maakte wat boksbewegingen in de lucht, scheurde het Bart Smit-papier van het cadeau, opende de doos en haalde er een kettingzaag uit. Ik hoopte maar dat - zoals meestal bij cadeaus van Bart Smit - de batterijen niet waren meegeleverd, maar ik had pech: na slechts één ruk van de Piet aan het touwtje begon het apparaat te ratelen als een dolle. Met een sadistische grijns bracht hij het werktuig tot vlak bij mijn keel. Van mijn contemplatieve stemming was inmiddels weinig meer over: het zweet brak mij aan bijna alle kanten uit, mijn keel zat dicht en ondanks het oorverdovende lawaai (helaas was ik net als de afgelopen nacht in Tivoli mijn oordopjes vergeten, maar ach, wat maakte dat nu nog uit), ondanks het oorverdovende lawaai dus, hoorde ik Sinterklaas uiterst beheerst zeggen: 'Doe het.' Eén voordeel: ineens wist ik wat nu ook alweer dat woord met acht medeklinkers achter elkaar was. Angstschreeuw. [ Maar wat is het? ] [ E-mail ] |