Naar het museum

Begin jaren tachtig, ik was een jaar of tien oud, ging ik met de hele klas op schoolreisje naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Vanwege de zenuwen was ik die ochtend extra vroeg uit bed geklommen. Omdat ik als eerste van het gezin in de woonkamer van onze boerderij was, deed ik nieuwe kolen in de kachel en maakte het ding aan. Gekleed in mijn voetbalpyjama at ik bij de gezellig gloeiende ruitjes van de kachel een boterham met Pastachoca (beregoed!). Daarna sprong ik op mijn fietsje en reed naar school, waar de touringcar al klaar stond.

Later die dag stond ik op mijn tenen op het terrein van het Openluchtmuseum door de ruitjes van een nagebouwde boerderij naar binnen te kijken. Ik zag vier poppen die een boerenfamilie moesten voorstellen (vader, moeder en twee kinderen - vreemd genoeg leken ze allemaal op André van Duin) rondom exact dezelfde zwarte kolenkachel zitten als die ik 's ochtends had aangestoken. Ook de rest van de huiskamer leek verdacht veel op die van ons gezin - eigenlijk ontbrak alleen de de Pastachoca. De juffrouw van onze klas keek mee, voelde zich vanuit haar opvoedende functie waarschijnlijk genoodzaakt wat educatieve duiding te geven en sprak de onsterfelijke woorden: “Kijk, zo leefden de mensen vroeger.”

Ik wil maar zeggen: vroeg of laat belanden we allemaal in het museum. De een overkomt dit wat eerder dan de ander, zoals met alles in het leven. Dat ik rond mijn tiende al in de collectie van het Openluchtmuseum was opgenomen, is verbazingwekkend, want meestal kom ik overal achteraan gehobbeld - mijn voetbalpyjama is het enige trendy voorwerp dat ik ooit heb bezeten. Toen mijn klasgenootjes al in nieuwbouwwoningen met centrale verwarming woonden, leefde ik nog tussen de koeien, kippen en varkens in een veredelde plaggenhut. Toen ik mijn eerste vriendin kreeg, waren sommige van mijn vrienden al gescheiden. Toen ik mijn eerste cd maakte, was er niemand meer die nog cd's kocht. En toen ik eindelijk wat geld begon te verdienen met het schrijven voor tijdschriften, werden bijna alle tijdschriften opgeheven.

Ook deze laatste papieren Bright ligt binnenkort in een museum. Niet getreurd: Bright gaat vrolijk verder op internet. Dat klinkt allemaal lekker modern, maar als ik de wereldwijde technologische ontwikkelingen sinds mijn bezoek aan het Openluchtmuseum eens even extrapoleer, ligt dat hele internet volgens mij over dertig jaar ook in het museum. Tegen die tijd hebben we geen servers, smartphones of wifi-netwerken meer nodig, want we communiceren door middel van voelsprieten gemaakt van diamantvezel. Informatie vermenigvuldigt zich sneller dan het licht en wordt bewaard in de net ontdekte vierde dimensie. Over vijftig jaar is er vervolgens zoveel data dat het universum het niet meer aankan en een noodprocedure start: alle yottabytes aan opgeslagen informatie worden opgezogen door een zwart gat. De mensheid kan opnieuw beginnen, we gaan weer in plaggenhutten wonen en in die van mij zal het lekker druk worden, want ik ben op 92-jarige leeftijd de laatste mens op aarde die weet hoe je een kolenkachel aansteekt. Loop ik eindelijk eens voorop.

Eerder gepubliceerd als column in Bright #55



[ Maar wat is het? ] [ E-mail ]