De Nobelprijs voor de Columnistiek

Eerder gepubliceerd als column in Playboy #04/2026

Toen ik vorige maand op deadline-dag mijn column voor dit veelbekeken prachtblad had afgemaakt, vijftig keer had doorgelezen/verbeterd en één keer had ingeleverd, ging ik langdurig op de bank liggen om na te genieten van mijn eigen schrijfkunst.

Wat is het allemaal toch weer geweldig geworden, dacht ik terwijl ik een dekentje over mijn schrijverslichaam trok - een verhaal met een lach, maar zeker ook met een traan. Het een kan immers niet zonder het ander, dat weet toch iedere kunstenaar? (Of maker, zoals dat tegenwoordig heet.) Ja, het was echt mooi hoe ik het leven op zijn staart had weten te trappen, en zo origineel ook, dat luisteren naar Led Zeppelin en het drinken van die Grolsch-beugels, en zo knap ook hoe dat allemaal dan weer terugkwam aan het eind. En dat terwijl ik hier niet eens een officiële opleiding of cursus in het buurthuis voor heb gevolgd, ik ben een autodidact, al gebruik ik als geweldige columnist liever geen moeilijke woorden, ook niet in mijn gedachten.

Laten we eerlijk zijn, reed mijn gedachtentrein verder, laten we nou eens even heel eerlijk zijn: welke andere columnist in het Nederlandse taalgebied kan dit? Beau van Erven Dorens? Sheila Sitalsing? Japke-d. Bouma? Youp van 't Hek? Daphne Deckers? Debby Gerritsen? Martin Bril (RIP)? Marcia Luyten? Özcan Akyol? Nee, dacht ik, alleen ik kan dit, en misschien Peter Buwalda op een goede dag.

Zachtjes zei ik: 'Wat een verrukkelijk kereltje ben je toch, Robbie-boy,' waarna ik in slaap viel. Ik droomde over de Nobelprijs voor de Columnistiek die mij in 2036 zou worden uitgereikt door de Amerikaanse president Donald Trump ('Now let me tell you this, folks: I've been following the magnificent writings of Robbie-boy for a long, long time') in het Trump-Kennedy Center in Washington, dat daags na de plechtigheid zou worden omgedoopt tot het Van Eijden-Trump-Kennedy Center.

Ineens schoot ik overeind. Welke andere columnist kan dit? IKZELF! Want had ik vorig jaar niet óók een column ingeleverd over Led Zeppelin en Grolsch-beugels? Nee toch? Zoiets amateuristisch zou ik toch nooit doen? Ik gooide het dekentje van me af, pakte een stapel Playboys van de armleuning van mijn bank en begon te zoeken. En ja hoor: mijn column uit het mei-nummer van 2025 ging via bioscoopbezoek, salsamuziek, Klazienaveen, een Grolsch-beugel, Enschede, de films The Accused en Who Framed Roger Rabbit en het bedenkelijke gedrag van mijn gabber Paalman - overigens ook een goede filmtitel, Het bedenkelijke gedrag van mijn gabber Paalman - naar Led Zeppelin en weer een Grolsch-beugel. Ik las de column drie keer en sloeg mezelf drie keer voor/tegen mijn kop.

Jezelf herhalen - bestaat er iets ergers voor een, eh, maker? Collega-auteur Gerard Reve zei ooit: 'Wie moet ik anders herhalen?', maar dat hielp nu even niet.

Ik stond op en begon rondjes door mijn woon- en werkkamer te lopen via het balkon en de keuken en de hal (ja, dat kan, de architect van mijn appartementje is waarschijnlijk familie van John Lanting). Na een half uur liep ik naar de badkamer om met mijn rug tegen de verwarming te leunen en naar witte tegels (15x15 centimeter) te staren. Dat hielp.

Nu ja, dacht ik, blijkbaar is dat het hoofdthema van mijn werk, daar kun je niet voor weglopen, dat zit in je DNA. Het thema van W.F. Hermans is wantrouwen & miscommunicatie, van Harry Mulisch is het schuld & verantwoordelijkheid en Robbie-boy houdt het op Led Zeppelin & Grolsch-beugels. Wat maakt het uit? Als je het maar geweldig opschrijft - vakmanschap is meesterschap, zou ik bijna zeggen. Ik maak vast een Nobelprijsvormig plekje vrij op mijn schoorsteenmantel.

<< Vorige column | Volgende column >>



[ Maar wat is het? ]